Schoolgedrag, schoolprestaties en de CITO toets

Posted by in Onderzoek en analyse, on 27-06-2012

1. Inleiding

Leerlingen met een goede Werkhouding halen betere schoolprestaties en presteren beter op de Cito-toets. Voor leerlingen in de hogere groepen is de correlatie met schoolprestatie .54-.57. Maar ook factoren als Vrijmoedigheid, Sociale omgang en Emotionele stevigheid doen er toe. Als alle aspecten van sociaal-emotioneel gedrag worden meegenomen ligt die samenhang boven de .60. Dat is een uitzonderlijk hoge waarde voor sociaal-emotioneel gedrag als�essentiele leervoorwaarde naast intelligentie. Voor de gecombineerde CITO toetsen blijft de predictieve validiteit steken rond de .30. Logisch hoor ik je denken. Schoolprestaties berusten op het subjectieve oordeel van de leerkracht en die subjectiviteit wordt gecorrigeerd door de objectiviteit van de CITO toets. Dat bewijst ten overvloede de waarde van een objectieve toets. Zouden er echt geen andere factoren in het spel kunnen zijn die een lagere correlatie zouden kunnen verklaren? Zou het te maken kunnen hebben met wat de CITO toets meet? Of liever met wat de CITO toets verondersteld wordt te meten, maar dat in onvoldoende mate doet?� Is de CITO toets toch te veel een maat die op zich zelf staat? We zijn opnieuw gaan rekenen….

 

2. Aanvullende analyses

In de handleiding zijn correlaties beschreven tussen vier Schobl-R� (factor)schalen Extraversie (Vrijmoedigheid), Werkhouding, Aangenaam Gedrag (Sociale omgang)�en Emotionaliteit aan de ene kant en verschillende aspecten van� schoolprestaties, afhankelijk van de leeftijd van de leerlingen aan de andere kant. Voor alle groepen van 4.2.-11.2 jaar heeft de leerkracht op afzonderlijk opgestelde likert schalen (zie Bleichrodt, Resing & Zaal, 1993, pag 30 e.v.) de prestaties van leerlingen van een cijfer voorzien. Voor�4-6 jarigen bestonden die uit een 10-tal aspecten als Woordenschat, Taalbeheersing, Voorbereidend rekenen, Voorbereidend lezen, Auditieve en Visuele waarneming, Grove en Fijne motoriek, creativiteit en logisch redeneren. Sommige aspecten doen misschien denken aan intelligentie, meer dan aan schoolprestaties, maar op die leeftijd hebben veel schoolse taakjes en werkjes te maken met waarneming en motoriek.� We zullen overigens aanvullende berekeningen maken om te onderzoeken of die veronderstellingen kloppen. Voor de oudere leeftijden, 6.2 tot 11.2 zijn vertrouwde onderdelen beoordeeld zoals Rekenen, Taal, Technisch en begrijpend lezen en Handvaardigheid. Ook is een totaalscore berekend voor schoolprestaties van 6-11 jarigen.� Die laatste maat zullen we in onze analyses gebruiken.

Voor 5 verschillende leeftijden zijn de daarvoor beschikbare CITO-toetsen afgenomen. Voor de jongsten zijn dat Begrippentoets 1 en 2. Voor groep 3 (6.2.-7.2 jaar) Technisch lezen en voor groep 4 (7.2-8.2)�Lees en begrijp.� Voor de overige jaren Begrijpend lezen en Rekenen respectievelijk, 3, 4 en 5. Het bijzondere van dit onderzoek is dat het een onderdeel is van de revisie van de R-Akit, zodat ook scores beschikbaar waren voor het IQ van de leerlingen en deelscores op intelligentiefactoren. In totaal zijn meer dan 1200 leerlingen in het onderzoek betrokken. Per leeftijdsgroep rond de 150 leerlingen.

In deze notitie komen aanvullende vragen aan de orde zoals

  • wat kunnen overige gedragsfactoren naast Werkhouding toevoegen aan het voorspellen van schoolprestaties,
  • wat is het gecombineerde effect van sociaal-emotioneel gedrag op schoolprestaties
  • heeft sociaal-emaotioneel gedrag ook nog van betekenis voor presteren�als rekening wordt gehouden met het�effect van�IQ� en tenslotte
  • wat is de �gecombineerde sterkte en� het patroon van voorspellende effecten op schoolprestaties�van Intelligentie, gedrag en gezinsachtergrond� en hoe vertaalt zich dat zich in de voorspelling van de score op de� CITO toets.

In de handleiding hebben we ons beperkt tot het berekenen van correlaties. In deze voortgezette analyses is ook� gebruikgemaakt van parti�le en multiple regressie analyse (MRA). Deze analyses, met de somscore van�alle onderdelen van de schoolvakken als criterium (SL6) heeft betrekking op leerlingen van �6.2.-8.2 �jaar. De CITO toetsen zijn voor die leeftijdsgroep respectievelijk Technisch lezen en Lees en begrijp. Deze zijn omgezet in de variabele CTAAL. In afzonderlijke bijlagen worden de kerngegevens voor de overige leeftijdsgroepen gegeven.

Nog een opmerking vooraf. De Schobl gegevens� in de handleiding zijn gebaseerd op normscores waardoor een eventueel sekse-effect is geneutraliseerd. Onderstaande berekeningen zijn gebaseerd op de ruwe gegevens voor jongens en meisjes samen, zodat eventuele seze verschillen in gedrag wel van invloed zijn op de uitkomsten.

 

3a. De predictieve validiteit van sociaal-emotioneel gedrag voor schoolprestaties.

Om te beginnen geven we in� de onderstaande tabel de correlaties voor de vier factorschalen voor de somscore van de�schoolvakken (SL6)�en IQ zoals vermeldt in de handleiding gebaseerd op de normscores en tevens die voor de ruwe scores. De correlatie van IQ met schoolprestaties bedraagt r=.51.

Tabel 1: De predictieve validiteit van gedragsfactoren voor Totaal schoolprestaties (SL6) en de correlaties metIntelligentie (IQ) voor leerlingen van 6.2-8.2 jaar (N=363).

6.2.-8.2 jarigen Extraversie Werkhouding Aangenaam gedrag emotionaliteit
�SL6 .21 .54 .10 .14
Intelligentie (IQ) 19 .38 .02 .11
SL6* .21 .57 .14 .14
IQ* .20 .38 .00 .10

*Correlaties gebaseerd op ruwe scores Schobl-R

 

Ruwe scores voor Werkhouding en Aangenaam Gedrag correleren hoger met schoolprestaties dan in de handleiding waar genormeerde scores zijn gebruikt. Dat wijst er op dat seksenormen �de Werkhouding van meisjes ten onrechte naar beneden aanpassen alsof hun betere werkhouding komt door de vooringenomenheid van de leerkracht en niet een teken is van een betere Werkhouding die leidt tot betere schoolprestaties. Elders meer over de implicaties.

Alle gedragsschalen hebben een significante correlatie met schoolprestaties, die voor Werkhouding en Extraversie springen er� met r=.57 resp. r=.21 uit. Deze schalen hebben ook als enige twee een significant verband met intelligentie.

 

3b De�predictie van schoolprestaties door de gecombineerde factoren van sociaal-emotioneel gedrag.

Met het gegeven dat schoolprestaties samenhangen met alle gedragfactoren zal de predictie van schoolprestaties door een combinatie van gedragsschalen hoger uitvallen dan voor elk van de afzonderlijke factoren het geval is en dan met name van die van Werkhouding alleen. Hoe groot dat effect is kan uitgerekend worden met behulp van Multiple Regressie Analyse (MRA) (Zie tabel 2).

Tabele 2: Resultaten van de MRA voor de voorspelling van schoolprestaties op basis van de vier gedragsfactoren van de Schobl

 

Model Summary

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,569a

,324

,322

1,487

2

,615b

,378

,375

1,428

3

,626c

,392

,387

1,414

4

,636d

,404

,398

1,402

a. Predictors: (Constant), WHr
b. Predictors: (Constant), WHr, EXr
c. Predictors: (Constant), WHr, EXr, EMr
d. Predictors: (Constant), WHr, EXr, EMr, SOr

 

Ook als rekening wordt gehouden met de onderlinge samenhang tussen de gedragsschalen, blijkt� dat alle schalen een significante bijdrage leveren aan de voorspelling van schoolprestaties. De onderlinge verschillen zijn aanzienlijk. In termen van verklaarde variantie is Werkhouding met 32% de belangrijkste factor gevolgd door Extraversie met 5% , Emotionaliteit met 1,4% en Aangenaam Gedrag als laatste tenslotte met 1,2%.

Leervoorwaarden die samenhangen met sociaal-emotioneel gedrag hebben dus te maken met alle aspecten van sociaal-emotioneel gedrag, in volgorde van belangrijkheid, Werkhouding, Extraversie, Emotionele Stabiliteit en�Aangenaam gedrag.� Samen verklaren zij 40% van de variantie in schoolprestaties, wat overeenkomt met een predictieve validiteit van r=.64.

 

3c De gecombineerde bijdrage van Intelligentie en sociaal-emotioneel gedrag aan de voorspelling van schoolprestaties.

Intelligentie voorspelt schoolprestatie. We hebben hierboven kunnen lezen dat de predictieve validiteit van Intelligentie in deze onderzoeksgroep r=.51 bedraagt. De vraag ligt voor de hand wat het gecombineerde effect is van intelligentie en gedrag. Dat effect is niet de optelsom van beider effect want ook intelligentie en gedrag hangen ook samen (zie tabel 1).� Inteligentere leerlingen hebben een betere werkhouding en zijn gemiddeld wat meer extravert en emotioneel ietsje stabieler. Het is dus ook interessant te weten wat de predictieve validiteit is van gedrag als gecontroleerd wordt voor IQ. Het omgekeerde geldt ook maar� de invloed van een goede werkhouding op de hoogte van IQ, is theoretisch minder logisch, terwijl �het omgekeerde goed denkbaar is. Hier onder in tabel 3 de parti�le correlaties tussen gedrag en schoolprestaties waarbij gecontroleerd is voor IQ. Eerst de parti�le correlaties, daarna de uitkomst van de MRA.

Tabel 3: De partiele correlaties tussen sociaal-emotionele gedragsfactoren en de som van schoolvakken (SL6) voor leerlingen van 6.2 -8.2 (n=365). IQ uitgepartialiseerd.

 

Control Variables

EXr

WHr

SOr

EMr

IQ SL6 Correlation

,129

,472

,163

,104

Significance (2-tailed)

,014

,000

,002

,049

Df

357

357

357

357

 

 

 

 

 

 

Na controle van het effect en de samenhang met intelligentie blijken de (parti�le) correlaties voor alle gedragsschalen significant. De correctie heeft een licht positief effect voor Aangenaam Gedrag (AG). Bedenk daarbij dat er geen verband is gevonden tussen AG en intelligentie.� De MRA geeft de resultaten van het gecombineerde effect �van IQ en gedrag. Het gecombineerde effect van alle gedragsfactoren en intelligentie blijkt op te lopen tot een MR van .68. Ruwweg laten de aandelen van intelligentie en sociaal-emotioneel gedrag zich als volgt uitdrukken in percentuele bijdragen�in de verklaring van verschillen in schoolprestaties:

  • 7 a 8% door een unieke bijdrage van� intelligentie (bij gelijkblijvende gedragsfactoren, Werkhouding voorop)
  • 19% door een unieke bijdrage van gedrag in het bijzonder Werkhouding (bij gelijke intelligentie) en
  • 21% door het gecombineerde effect van intelligentie en Gedrag.

Het gezamenlijke percentage bedraagt 46%. Zie tabel�4.

Tabel 4: De resultaten van de MRA van IQ en sociaal-emotionele gedragsfactoren voor de predictie van schoolprestaties (SL6) van leerlingen van 6.2-8.2 jaar

 

Model Summary

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,508a

,258

,256

1,558

2

,680b

,463

,455

1,333

a. Predictors: (Constant), IQ
b. Predictors: (Constant), IQ, SOr, EMr, EXr, WHr

 

Is dat percentage veel of weinig. Dat hangt mede af van hoe hoog de betrouwbaarheid van beoordelingen van schoolprestaties worden ingeschat. Daarover hebben we geen gegevens. Als de nadruk wordt gelegd op het subjectieve karakter van beoordelingen zou een betrouwbaarheidswaarde van .80 zelfs aan de hoge kant zijn. In dat geval is ruim de helft van de variantie in schoolprestaties toe te schrijven aan het gecombineerde effect van Intelligentie en sociaal-emotioneel gedrag met name Werkhouding en de andere helft aan allerlei andere factoren. Dat lijkt veel voor die andere factoren of weinig voor intelligentie en gedrag hoe je het wilt bekijken, maar een predictieve validiteit van r=.68� �en dat is de correlatie die met deze %% correspondeert, is binnen het vakgebied van de psychologie zeer hoog.

 

3d. Andere factoren

Aan welke andere factoren die samenhangen met individuele prestatieverschillen tussen leerlingen kan gedacht worden? Gezondheid van de leerling kan een rol spelen en andere ongunstige omstandigheden (verhuizing, problemen thuis, conflicten in de klas, denk aan plagen) waardoor ondanks inzet en inzicht prestaties achterblijven. Anderzijds zou de leerling de nodige kennis en vaardigheden elders op gedaan kunnen hebben in samenhang met de hogere Sociaal-economische Status (SES) van het gezin, de gunstige effecten van een hogere opleiding van vader (OV) en moeder (OM). Dergelijke gezinsomstandigheden hangen nauw met elkaar samen. Opleiding moeder correleert zelfs r=.93 met SES, terwijl ook de hoge correlaties tussen beroep (BV respect. BM)�en opleiding zowel voor vader (r=.80) �als voor moeder (r=.70) voor de handliggend zijn. De correlaties tussen deze achtergrondvariabelen en intelligentie en schoolprestaties zijn als volgt. Zie tabel 5.

Tabel 5: Correlaties tussen Sociaal Economische Status (SES), beroep vader en moeder (BV resp.BM) en opleiding vader en moeder (OV resp OM) enerzijds en anderzijds IQ en schoolprestaties (SL6) voor leerlingen van 6.2-8.2 jaar (n=124-446).

 

SES

BV

OV

BM

OM

IQ Pearson Correlation

,266**

,311**

,506**

,377**

,463**

Sig. (2-tailed)

,000

,000

,000

,000

,000

N

446

435

198

144

155

SL6 Pearson Correlation

,260**

,310**

,487**

,201*

,323**

Sig. (2-tailed)

,000

,000

,000

,025

,000

N

351

341

172

124

138

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het patroon van�correlaties van deze achtergrondvariabelen met intelligentie en schoolprestaties is nagenoeg gelijk. Vooral de samenhang van opleiding van vader met zowel intelligentie als schoolprestties valt op met waarden rond de .50. Voor intelligentie doet de opleiding van moeder daar nauwelijks voor onder (r=.46). Des te opvallender dat de correlatie van opleiding moeder met schoolpresties beduidend lager ligt (r=.32). Opvallend en betekenenisvol is het verschil in de hoogte van de correlaties voor beroep vader en moeder ten opzichte van die voor�opleiding van beide. De opleiding van vader en moeder is hangt nauwer samen met�intelligentie en schoolprestaties dan hun beider beroep.��Tot slot moet opgemerkt worden dat over het geheel genomen�de correlaties met intelligentie hoger dan die voor schoolprestaties. Dat houdt waarschijnlijk in dat het effect van ouderlijk milieu op schoolprestaties vooral samenhangt met de hogere intelligentie van kinderen van ouders (met name de vader) met een hogere opleiding.

Het verband van achtergrondvariabelen met schoolgedrag geldt vooral Werkhouding en Aangenaam gedrag en in mindere mate�Extraversie en Emotionaliteit. De samenhang is� het sterkst voor Opleiding vader. (zie tabel 6)

 

Tabel 6: Correlaties van gedragsfactoren met Sociaal Economische Status (SES), beroep vader en moeder (BV resp.BM) en opleiding vader en moeder (OV resp OM)�voor leerlingen van 6.2-8.2 jaar (n=120-344).

SES

BV

OV

BM

OM

EXr Pearson Correlation

,028

,068

,018

,098

,077

Sig. (2-tailed)

,609

,217

,816

,288

,379

N

344

335

165

120

131

WHr Pearson Correlation

,233**

,271**

,338**

,163

,333**

Sig. (2-tailed)

,000

,000

,000

,075

,000

N

344

335

165

120

131

SOr Pearson Correlation

-,171**

-,179**

-,227**

-,059

-,143

Sig. (2-tailed)

,001

,001

,003

,525

,102

N

344

335

165

120

131

EMr Pearson Correlation

,019

,046

,203**

-,107

,049

Sig. (2-tailed)

,732

,402

,009

,247

,579

N

344

335

165

120

131

 

De invloed van achtergrond variabelen op �de voorspelling van schoolprestaties op basis van intelligentie en sociaal-emotionelegedragsfactoren is onderzocht met behulp van MRA. Zie tabel 7. Na toevoeging van Opleiding vader (OV) en Opleiding moeder (OM) in de MRA wordt de verklaarde variantie van schoolprestaties (SL6) met 4,4%�verhoogt door het meenemen van beroep vader in de predictieformule en stijgt de multiple predictie van MR=. 68 (zie tabel 4) tot MR=.71. In dat laatste model zijn alle gedragsschalen meegenomen.

Tabel 7: Resultaten van MRA voor de predictie van schoolprestaties (SL6) door intelligentie (IQ), sociaal-emotionele gedragsfactoren en beroep vader en moeder (BV resp. BM)

 

Model Summary

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,508a

,258

,253

1,561

2

,680b

,463

,441

1,350

3

,712c

,507

,484

1,298

a. Predictors: (Constant), IQ
b. Predictors: (Constant), IQ, SOr, EMr, EXr, WHr
c. Predictors: (Constant), IQ, SOr, EMr, EXr, WHr, OV

 

Samenvattend blijkt�de invloed van�sociaal milieu -gerepresenteerd door de belangrijkste achtergrondvariabele, te weten opleiding vader-� op schoolprestaties zich te beperken tot 4% van de variantie. Uiteraard na�gecorrigeerd te zijn voor de stevige verbanden van beroep vader met�intelligentie en Werkhouding.

In de slotparagraaf bespreken we de resultaten van de predictie van de uitslag van de CITO-toets op basis van intelligentie en gedrag, rekening houdend met�het effect van deze variabelen op de schoolprestaties van de leerlingen.

 

4. Voorspelling van de resultaten van de CITO-toets.

Voor de leeftijdsgroep 6.2-8.2 zijn gegevens beschikbaar voor Technisch lezen (groep 3) en Lees en begrijp (groep 4). Deze uitslagen zijn omgezet in de variabele CITOtaal.

Hieronder in tabel 8 de correlaties van schoolprestatie (SL6), IQ, schoolgedrag en opleiding vader (OV) met CITOtaal (CTAAL).

Tabel 8: Correlaties van schoolprestatie (SL6), IQ, schoolgedrag en opleiding vader (OV) met CITOtaal (CTAAL) voor leerlingen van 6.2-8.2 jaar.

 

SL6

IQ

EXr

WHr

SOr

EMr

OV

CTAAL

,451**

,405**

,042

,331**

,105

,024

,224**

,000

,000

,456

,000

,060

,672

,005

326

343

322

322

322

322

159

 

Schoolprestaties, IQ, Werkhouding en OV hebben een significant verband met prestaties op de CITO taalscore. De samenhang van schoolprestaties met de uitslag van de CITO-TOETS is bescheiden (r=.45, verklaart 20% van variantie) , maar is wel hoger dan die voor intelligentie. Dat cijfer�houdt in dat 80%�van de prestatieverschillen op de Citotoets voor deze leeftijdsgroep niets te maken heeft met prestaties op schoolvakken. Het verband tussen Werkhouding en de citotoets(r=.33) is hoger dan in de handleiding (.31 -.20) door het gebruik van ruwe scores in deze analyses, waardoor de betere werkhouding van meisjes niet gelijkgetrokken is met het gemiddelde van de jongens.

In een laatste MRA analyse onderzoeken we welke variabelen verband houden met prestaties�op de citotoets die klaarblijkelijk losstaan van presteren op school.(zie tabel 9 voor de partiele correlaties en Tabel 10 voor de resultaten van de MRA)

 

Wat blijft over van de voorspellende waarde van intelligentie, gedrag en sociale achtergrond�voor de score op de Cito toets als rekening wordt gehouden met de schoolprestaties?

Van de predictoren die wel de �schoolcijfers voorspellen is behalve intelligentie niets overgebleven.. Na de positieve bijdrage van gedrag en sociaalmilieu�verwerkt in�de schoolprestaties gerepresenteerd door Werkhouding�en opleiding vader blijkt geen afzonderlijk�effect op de Cito toets gevonden te worden.� Los van het effect van intelligentie op schoolprestaties voegt intelligentie nog 5% toe aan de prestaties op de CITO-toets. �In onderstaande tabel wordt dat beeld� weergegeven met parti�le correlaties.

Tabel 9: Partiele correlaties met�de scores op de citotoets, rekening houdend met verband van schoolprestaties (SL6),�intelligentie (IQ) , sociaal-emotioneelgedrag (Werkhouding) en sociale achtergrond (opleiding vader:OV) voor leeerlingen van 6.2.-8.2 jaar.

Control Variables

IQ

WHr

OV

SL6 CTAAL Correlation

,195

-,018

-,079

Significance (2-tailed)

,019

,833

,347

df

142

142

142

 

Na controle voor schoolprestaties heeft alleen IQ nog een significante (parti�le) correlatie met CTAAL (r=.20).

Tabel 10: Resultaten van MRA voor de predictie van de scores op de citotoets, rekening houdend met verband van schoolprestaties (SL6), intelligentie (IQ) , sociaal-emotioneelgedrag (Werkhouding) en sociale achtergrond (opleiding vader:OV) voor leeerlingen van 6.2.-8.2 jaar.

Model Summary

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,405a

,164

,157

1,064

2

,495b

,245

,233

1,015

a. Predictors: (Constant), IQ
b. Predictors: (Constant), IQ, SL6

 

 

 

 

 

 

 

 

Deze resultaten van MRA vatten het effect samen van de twee factoren die de prestaties op de Cito-toets verklaren. De som van de cijfers voor alle schoolvakken kunnen niet meer dan 20% van de uitslag van de CITO �toets verklaren. �Los van de bijdrage aan de schoolprestaties kan IQ daar nog 5% unieke variantie aan toevoegen. Als de volgorde wordt omgedraaid blijkt� IQ 16% van de verschillen te verklaren en voegen schoolprestaties daar nog maar 8% unieke variantie aan toe. �Als de betrouwbaarheid van de CITO-toets op gelijke hoogte wordt gesteld als de .80 van de schoolprestatiebeoordeling, wat voor de CITO-toets waarschijnlijk een onderschatting is, dan moeten we constateren dat (80-20=) 60% van de betrouwbare prestaties op het technisch en begrijpend lezen van de cito toets anno jaren 90 niets te maken had met wat er op school werd gepresteerd. �Dat zou in die tijd als een alarmerend gegeven opgevat moeten zijn.

Het beeld kan nog iets genuanceerd worden als bij het samenstellen van de variabele schoolprestaties rekening wordt gehouden met de aard van de vakken die worden meegenomen. Wanneer alleen de talige vakken worden opgeteld stijgt de correlatie met de (talige) CITO-toets van .45 naar .51 en de verklaarde variantie van 20% naar 25%. Waarmee nog eens wordt onderstreept dat de hier gebruikte Cito-toets een talige toets is en de talige schoolprestaties beter representeert dan het totaal van alle schoolvakken. Het predictiemodel van schoolprestaties zou er bij het uitsluitend gebruik van talige vakken als predictie criterium niet beter op worden. Zoals uit de gegevens van de handleiding blijkt zijn de correlaties van gedragsfactoren met de talige vakken lager dan die voor de som van alle schoolvakken. Dat geldt ook voor intelligentie, zowel voor IQ, als voor de Verbale leerfactor. Een bijkomende betekenis van deze cijfers is dat indirect wel de objectiviteit van de prestatiebeoordelingen van leerkrachten wordt onderbouwd.

De strekking van de conclusie van dit onderzoek bij leerlingen van 6.2.-8.2 jaar wordt er niet door veranderd. Intelligentie en gedrag zijn belangrijk voor het leren en presteren op school. Ook het opleidingsniveau van de ouders blijkt een besscheiden positieve invloed te hebben los van de gemiddeld hogere intelligentie en een betere Werkhouding van hun kinderen. De CITO-toets geeft een zeer beperkte representatie van �die schoolprestaties en neemt bijgevolg ook weinig mee van belangrijke indicatoren van schoolprestaties. Voor de onderwijs adviespraktijk kan dat niet anders betekenen dan het onderstrepen van het belang van intelligentie, sociaal-emotioneel gedrag en ook de schoolprestatiebeoordelingen van de leerkracht zelf bij het nemen van� beslissingen over de onderwijstoekomst van leerlingen.

In een aparte bijlage worden de predictiemodellen voor de jongste en de oudste leeftijdgroep gegeven.

 

Referenties

Schobl-R. Beoordeling van schoolgedrag. Bleichrodt, Nico; Resing, Wilma C.M. en Zaal Jac. N.� Amsterdam: Harcourt Assessment B.V. 2004.

 

Bijlage 1:

Leerlingen groep 2. Correlaties en parti�le correlaties voor som schoolprestatie beoordelingen (SKST), CITO Begrippen toets 1 en 2 (CBT), Schobl-R factoren en Opleiding vader (OV) resp. moeder (OM)� voor leerlingen 5.2-6.2 jaar. Bron: database Revisie Schobl, Bleichrodt, Resing & Zaal, 1993.

Control Variables

SKST

CBT

EXr

WHr

SOr

EMr

OV

OM

IQ

None SKST Correlation

1,000

,398

,293

-608

,002

,184

,390

,274

,572

Significance .

,000

,000

,000

,980

,029

,000

,022

,000

None CBT Correlation

,398

1,000

,089

353

,143

,126

,216

,284

,569

Significance

,000

.

,267

,000

,075

,116

,047

,012

,000

IQ �SKST Correlation

1,000

,107

,225

,468

,040

,098

,204

,010

Significance .

,221

,008

,000

,643

,248

,079

,934

IQ CBT Correlation

,107

1,000

-,028

,117

,138

,028

-,027

,027

Significance

,221

.

,726

,149

,088

,729

,809

,817

df

130

0

153

153

153

153

82

75

MRA GROUP 2 Model Summary

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,660a

,435

,401

12,26671

2

,718b

,515

,478

11,45292

a. Predictors: (Constant), EMr, EXr, WHr, SOr
  1. Predictors: (Constant), EMr, EXr, WHr, SOr, IQ

 

 

 

Bijlage 2:

Leerlingen groep 5,6,7. Correlaties en parti�le correlaties voor som schoolprestatie beoordelingen (SL6), CITO Begrijpend Lezen/Rekenen 3,4 3n 5 (CBT), Schobl-R factoren, Intelligentie (IQ) �(n=437-603) en Opleiding vader (OV) resp. moeder (OM) (n=243). Bron: database Revisie Schobl, Bleichrodt, Resing & Zaal, 1993.

 

Control Variables

EXr

WHr

SOr

EMr

OV

IQ

-none-a SL6 Correlation

,104

-,601

-,215

,077

,236

,448

Significance (2-tailed)

,015

,000

,000

,071

,000

,000

CSTR Correlation

,069

-,334

-,064

,081

,299

,568

Significance (2-tailed)

,148

,000

,180

,090

,000

,000

IQ SL6 Correlation

,045

-,550

-,209

,050

,105

Significance (2-tailed)

,299

,000

,000

,244

,065

CSTR Correlation

-,016

-,213

-,033

,048

,144

Significance (2-tailed)

,736

,000

,494

,315

,024

df

437

437

437

437

243

 

MRA Model Summary Schoolprestates (SL6)

Model

R

R Square

Adjusted R Square

Std. Error of the Estimate

1

,640a

,409

,398

1,326

2

,684b

,468

,455

1,261

a. Predictors: (Constant), EMr, WHr, EXr, SOr
b. Predictors: (Constant), EMr, WHr, EXr, SOr, IQ